19 september 2026
Sommige nummers hoor je.
Andere komen binnen.
Bij Arno heb ik dat wel vaker. Niet omdat alles mooi of gepolijst moet zijn — integendeel misschien — maar omdat er soms één zin, één gedachte of één gevoel in zit dat iets openbreekt.
Zo ook nu.
Het bracht mij bij een gedachte die misschien wat hard klinkt:
Ik heb het geluk dat ik niet voor mijn ouders moet zorgen.
Maar ik heb de pech dat ze daarvoor moesten sterven.
Mijn vader werd 50.
Mijn moeder 60.
En hoe ouder ik zelf word, hoe dichter ik kom bij de leeftijden waarop zij gestorven zijn.
Dat doet iets met een mens.
Niet alleen omdat je hen mist.
Maar ook omdat er op een bepaald moment iets anders gebeurt: je voorbeelden houden op.
Tot daar kon ik nog kijken naar hoe zij het deden. Naar hun keuzes, hun fouten, hun overtuigingen. Zelfs naar de dingen waarvan ik dacht: zo wil ik het net níét doen.
Maar vanaf een bepaald punt bestaat dat voorbeeld niet meer.
Dan moet je zelf verder.
En vreemd genoeg voelt dat niet alleen zwaar.
Het voelt ook vrij.
Onze ouders hebben ons opgevoed zoals zij dachten dat het goed was.
Met wat zij kenden.
Met wat zij hadden meegemaakt.
Met hun overtuigingen, hun angsten, hun dromen en hun mogelijkheden.
Net zoals wij vandaag onze kinderen opvoeden met wat wij op dit moment denken te weten.
Daar is niets mis mee.
Maar ergens onderweg gebeurt er iets eigenaardigs.
We worden volwassen, bouwen een carrière uit, starten een onderneming, krijgen zelf kinderen…
En toch blijven we onszelf soms bekijken door de ogen van andere mensen.
Wat zouden zij hiervan vinden?
Is dit wel verstandig?
Doe ik het wel zoals het hoort?
Wat gaat die zeggen?
Wat zullen mensen denken?
Terwijl er eigenlijk maar één iemand is die jouw leven vandaag moet leven.
Jij.
Je hebt het leven gekregen van je ouders.
Maar het is aan jou om er iets mee te doen.
Misschien voel ik dat sterker omdat mijn ouders er niet meer zijn.
Ik kan hen niet meer bellen.
Ik kan niet vragen hoe zij deze fase hebben aangepakt.
Maar misschien is dat ook niet de bedoeling.
Want dit is hun tijd niet.
Het is de mijne.
En dus moet ik mezelf toestemming geven om mijn eigen keuzes te maken.
Om groot te denken.
Om van richting te veranderen.
Om iets te proberen waarvan niemand mij op voorhand kan garanderen dat het zal lukken.
Om soms verkeerd te kiezen.
En daarna opnieuw te kiezen.
Dat geldt voor het leven.
Maar minstens even hard voor ondernemen.
Hoe langer ik ondernemer ben, hoe minder ik geloof in mensen die beweren dat ze dé weg kennen.
Die bestaat niet.
Er is geen routekaart waarop staat:
Hier linksaf. Daar drie jaar rechtdoor. Daarna succes.
Ondernemen is zoeken.
Proberen.
Kijken.
Beslissen.
Bijsturen.
Soms geweldig hard vooruitgaan en soms beseffen dat je al een hele tijd bijzonder efficiënt de verkeerde richting uitloopt.
Ook dat is ondernemen.
Er zijn geen zekerheden.
Er kan wel een missie zijn.
Een richting.
Iets waarvan je diep vanbinnen voelt:
daar wil ik naartoe.
En vervolgens moet je de weg ontdekken terwijl je hem bewandelt.
Je volgt geen pad.
Je maakt er één.
Dat vind ik belangrijk.
Want zelf je richting bepalen betekent niet dat je alles alleen moet doen.
Alleen gaan is soms gemakkelijker.
Je hoeft niemand uit te leggen waarom je iets doet.
Niemand spreekt je tegen.
Niemand stelt vervelende vragen.
Niemand houdt je een spiegel voor.
Je kunt heerlijk ongestoord overtuigd blijven van je eigen gelijk.
Maar makkelijk en goed zijn niet noodzakelijk hetzelfde.
Ik geloof steeds sterker dat de mensen die naast je lopen mee bepalen hoe ver je geraakt.
Mensen die niet jouw weg voor jou willen uitstippelen.
Maar die vragen stellen.
Die iets zien wat jij zelf niet meer ziet.
Die je uitdagen wanneer je jezelf klein houdt.
Die je afremmen wanneer je als een bezetene de verkeerde kant uitloopt.
Die kennis hebben die jij niet hebt.
En die soms gewoon zeggen:
Doe verder. Dit klopt.
Dat zijn bijzonder waardevolle mensen.
En daar zit misschien het moeilijkste stuk.
Want ondernemers zijn nogal goed in zelf oplossingen zoeken.
We zijn zelfstandig geworden omdat we zelf iets wilden bouwen.
Maar zelfstandig zijn betekent voor mij steeds minder dat je alles zelf moet kunnen.
Het betekent dat je verantwoordelijkheid neemt.
Ook voor de mensen die je rond jezelf verzamelt.
Je kunt ongelooflijk capabele mensen naast je hebben.
Maar als je niemand echt binnenlaat, verandert er weinig.
Je moet bereid zijn om te luisteren.
Om tegengesproken te worden.
Om een idee los te laten.
Om toe te geven dat iemand anders iets beter weet.
Niet omdat je zwak bent.
Maar omdat je ergens naartoe wilt.
Niet dat je plots alle antwoorden hebt.
Wel dat je stopt met wachten tot iemand anders ze voor jou geeft.
Ik heb geen voorbeeld meer nodig dat ik volledig kan volgen.
Ik mag kijken.
Leren.
Luisteren.
Mensen naast mij zetten.
En vervolgens zelf kiezen.
Dat geeft verantwoordelijkheid.
Maar vooral ontzettend veel vrijheid.
Ik weet niet exact hoe mijn pad eruitziet.
Gelukkig maar.
Ik weet wel steeds beter waar ik voor wil staan, wat ik wil betekenen en met welke mensen ik onderweg wil zijn.
Misschien is dat genoeg.
Want er bestaat geen perfecte weg die ergens klaarligt om gevonden te worden.
Je krijgt een leven.
Je krijgt tijd.
Je krijgt mensen die een stuk met je meelopen.
En daarna is het aan jou.
Maak er iets van.